Eigen verantwoordelijkheid

Gisteren dacht ik even na (ja, dat doe ik soms) over mezelf en mijn (niet) ambiteus zijn. Over keuzes die ik maakte in mijn leven. Keuzes die ik zelf maakte en die ik niet kan wijten aan een ander. Toen ik afstudeerde had ik het allemaal (volgens mijn toenmalige vriendje): ‘beauty, brains and breeding’. Voor zo een vrouw kan de wereld openliggen als zij dat slim aanpakt.

Ik was me nergens van bewust, vond mezelf niet mooi, niet beschaafder dan een ander en zeker niet wijs of slim. Ondanks mijn hoge punten bij het afstuderen vond ik mezelf nog steeds een nitwit.

Ik maakte keuzes:

  • Ik koos voor een man van een totaal andere cultuur, die bovendien analfabeet was. Ik zag dat toen als heel verfrissend na al het theoretische gelul van studenten om mij heen. Ik overzag niet de consequenties van een langdurige relatie met zo iemand.
  • Ik ging dagelijks hasj roken met deze man, terwijl ik mijn hele studietijd vrijwel drugsvrij was geweest.
  • Solliciteren had niet mijn prioriteit, maar wel studie van de islam.
  • Toen mijn kinderen eenmaal kwamen koos ik ervoor bij mijn kinderen te blijven. Als ik dat werkelijk niet had gewild, dan had ik wel naar wegen gezocht om een eventuele carrière na te streven. Dat heb ik niet gedaan.
  • Wat mijn ex me aandeed liet ik gebeuren.

Ik ben mijn hele leven eigengereid geweest en volgde altijd mijn eigen koers. Kreeg op een gegeven moment ook van mijn huisgenoten een boek cadeau met de titel ‘mijn eigen eenzame weg’. (van Marten Toonder in de Ollie B Bommelserie).. Dat is veelzeggend genoeg. Toch liet ik me ondersneeuwen door een ongeletterde, manipulatieve (straatwijze) man. Dat liet ik zelf gebeuren. Daarachter zat ook koppigheid. Ik gunde het mijn ouders niet dat ze na een eventuele scheiding zouden kunnen zeggen: ‘zie je nou wel’.

Ik ben dus niet iemand die de schuld van gemiste kansen in mijn leven neerlegt bij een ander. Ik was er zelf bij en heb het laten gebeuren!

Ik heb nooit psychische hulp gehad voor het verwerken van eventuele trauma’s uit mijn jeugd en eerste huwelijk. Ik ben immers zelf psycholoog en verwachtte niets van hulpverleners, die al verward begonnen te blozen als ze mijn levensverhaal moesten aanhoren.

Wel zat ik ooit in een zelfhulpgroep, geïnspireerd door een Amerikaanse ex-psychotherapeute, Robin Norwood. Zij schreef twee boeken: ‘vrouwen die te veel liefhebben’ en ‘als hij maar gelukkig is’. Geïnspireerd door ervaring die zij in die boeken verwerkte richtte zij zelfhulpgroepen op voor vrouwen, volgens een zelfhulpmodel als dat van de AA. Het ging eigenlijk over vrouwen die een man maar niet los konden laten, ook al was hij niet goed voor hen. Vrouwen die bijvoorbeeld constant naast een telefoon zaten, wachtend op een teken van leven van zo een man.

Ik vond het wel leuk en leerzaam om in deze groep te zitten, maar herkende mezelf toch niet helemaal in de verhalen van de anderen. Sommige van deze vrouwen zaten vol wrok. Zeiden dingen als: ‘Ik zou graag al zijn kleren in stukken willen knippen of verbranden’. Ze wilden wraak. Dat herkende ik totaal niet. Ook had ik geen enkele verlangen om mijn ex terug te zien of nog iets van hem te willen. Ik was blij uit de hel te zijn ontsnapt, maar had geen enkel behoefte nog iets met de man te maken te hebben, niet in het positieve en ook niet in het negatieve. Ik gunde hem het beste, als hij mij maar met rust zou laten de rest van mijn leven.

Ik heb niet zo lang in deze groep vrouwen gezeten, op zich wel leuke types met hun prozac en afgewezen vrijpartijtjes. Je zou er een boek over kunnen schrijven, in de trant van Gooise vrouwen.

Ik weet dat het momenteel niet zo goed gaat met mijn ex. Hij heeft hartproblemen, suikerziekte en is erg verzwakt. Ik heb geen enkele behoefte om hem nog meer narigheid toe te wensen. Ik ben blij met mijn leven nu en accepteer de consequenties, maatschappelijk en sociaal, van mijn keuzes. Ik ben destijds met deze man getrouwd en bleef 16 jaar bij hem. Niemand heeft me gedwongen. Ik kreeg met hem vijf kinderen, waarvan er vier nog in leven zijn. Zij hebben zowel mijn genen als die van hem. Ik heb daarvoor gekozen. Die verantwoordelijkheid ligt bij mij………

Toepek

We gingen opnieuw naar het asiel en dit keer zou mijn oudste dochter een kat uitkiezen. We kwamen al snel terecht bij een moederkat met jonge katjes. De katjes waren al aardig gegroeid op één katje na. Dat was de pechvogel die altijd als laatste bij de bak met eten kwam en misschien had hij ook wel minder moedermelk gehad. Behalve klein was hij ook nogal kaal, vooral bij zijn oortjes en dat gaf hem het uiterlijk van een kremlin. Het was wel een levendig katje. Hij kwam onmiddellijk aansnellen op de lokroep van mijn dochter. Dat zou hem moeten wezen, dit kleine eigenwijze gecastreerde katertje!

We namen hem mee en noemden hem Toepek, naar de zanger Tupac, een favoriet destijds van mijn dochter. Het was een leuk beestje, nog heel speels en het was vermakelijk om te zien hoe hij achter zijn eigen staartje aan racete.

Adelante was gewend altijd een gedeelte van zijn eten te laten staan. Dan ging hij even naar buiten en als hij dan terugkwam at hij de rest op. Dat ging nu niet meer door, want bij terugkomst had Toepek zijn portie opgegeten. Het schooiertje pakte eten waar hij het krijgen kon. Het was een kleine deugniet. Als het buiten sneeuwde had hij geen zin om zijn behoeften in de koude sneeuw te doen en dan poepte hij stiekem in een hoekje van de kamer. Dat leerde ik hem snel af door hem aan zijn poep te laten ruiken en daarna door het luik naar buiten te duwen. ‘Daar moet je poepen!’

Afdelante was niet blij met de nieuwe indringer, die zijn eten telkens wegkaapte. Zijn unieke positie als ‘kat van het huis’ bestond niet langer. Op een dag was hij zoek. Hij kwam gewoon niet meer thuis. Ik zocht de hele buurt af. Tot ik met een buurvrouw praatte, twee huizen verderop. ‘Jouw kat slaapt de hele dag bij mij,’ vertelde zij me. Ik ging direct met haar mee haar huis in en inderdaad zag ik Adelante daar prinsheerlijk liggen op een kleedje. ‘Dat gaat niet door,’ zei ik. Ik pakte hem op en nam hem mee naar huis.

Kort daarna kreeg hij een abces in zijn hoofd na een vechtpartij met vermoedelijk een rat. De wond was dichtgegaan maar daarna gaan ontsteken. Hij had een heel gezwel op zijn hoofd. Ik haastte me hem in een kattenreistas te doen en bracht hem hals over kop naar de dierenarts. Hij was doodziek. Bij het afscheid bij de deur snufte Toepek even aan zijn draagkooitje. Dat moet een ommekeer zijn geweest voor Adelante.

Vanaf het moment hij terugkwam van de dierenarts na een operatie en een paar dagen herstel, was hij onafscheidelijk met Toepek. Waar hij ging, zag je Toepek achter hem aanlopen als een carouselpaardje. Het was duidelijk dat Adelante de leiding had. Toepek was een klein katertje en hij bleef ook zijn hele leven klein. Iedereen dacht dat hij nog een kitten was, ook toen hij al lang volwassen was. Hij is nooit meer helemaal uitgegroeid.

toepekje met zijn afgeknipte staartje

toepekje met zijn afgeknipte staartje

Adelante liet nu nog steeds wat van zijn eten staan, als hij zijn bordje eten kreeg. Hij liet goedmoedig toe dat Toepek dat dan van hem weg snaaide. Toepek vergezelde Adelante ook op zijn nachtelijke tochten. Op een dag kwam Toepek thuis met een staart die kennelijke ergens klem had gezeten. Het uiteinde van zijn mooie lange krulstaart was helemaal kaal en roze. Het zag er verschrikkelijk uit. Dit keer moest hij in de reistas en snel naar de dierenarts. Zijn mooie lange staart, die hij altijd parmantig omhoog hield met aan het einde een krul moest gedeeltelijk geamputeerd worden! Sindsdien had Toepek nog maar een klein stompje als staart en het was duidelijk dat hij daar niet blij mee was. Het maakte hem wat onzeker. Ik denk dat een staart heel belangrijk is voor het evenwichtsgevoel van een kat bij het springen en dergelijke. Toepek was niet meer zo vrolijk als voor de amputatie. Zijn staartje hing nu voortaan altijd schuin naar beneden. :-(

De vriendschap tussen Toepek en Adelnate was onverbrekelijk geworden. Altijd waren ze samen. Af en toe liet Adelnate Toepek op speelse wijze zien dat hij wel de baas was. Dan vochten ze een vriendschappelijk robbertje, waarbij Toepek zich altijd uiteindelijk overgaf met zijn vier pootjes naar boven. Nooit deed Adelante hem pijn.

Toen Adelante stierf, was Toepek helemaal niet meer vrolijk. In zijn eentje ging hij niet zo graag naar buiten. Een paar jaartjes later stierf hij ook.

Adelante

DSC03045

Zo een kat als Thomas kreeg ik nooit meer, maar Adelante was een goede tweede. Toen ik nog maar net in Den Haag woonde in het huis van mijn dromen wilde mijn oudste dochter een huisdier. Een kat leek mij het leukst en dus gingen wij hiervoor naar het nabijgelegen asiel. Het wemelde daar van de blaffende honden en katten in hokjes of bijeen in groepen. De meeste katten deden erg hun best om in de smaak te vallen. Het lijkt wel of ze weten dat dit voor hen belangrijk is om uit hun ‘gevangenschap’ weg te komen.

Op een goed moment zag ik een zwart-witte kat heel stoïcijns zitten, te midden van allemaal andere katten die hun best deden om meegenomen te worden door kopjes te geven en klagelijk te mauwen. De kat keek me kalm aan, maar verroerde zich niet. ‘Hé, jij daar,’ zei ik. ‘Als jij nu naar mij toekomt, dan neem ik jou mee.’ Alsnog verroerde hij zich niet. Er was wel een andere kat, die direct naar me toekwam. In het voorbijgaan gaf de kat die ik had toegesproken de gretige kat een paar draaien om zijn oren. Zo van: ze had het tegen mij en niet tegen jou!

Dit vertederde mij direct. ‘Deze nemen we,’ zei ik tegen mijn dochter en ik pakte hem op. ‘Mam, misschien is hij wel vals,’ waarschuwde zij mij. ‘Dat denk ik niet,’ zei ik en ik liep met mijn toekomstige kat regelrecht naar de balie. ‘Dit wordt hem.’

De asielmedewerker zei me dat ik hiermee goed werk verrichtte, want Wauwser (zo werd mijn kat in het asiel genoemd) stond op de nominatie om afgemaakt te worden. Hij was namelijk al eerder door iemand meegenomen, maar deze mensen hadden hem teruggebracht. Hij kon niet bij hun aarden, omdat ze niet de mogelijkheid hadden om hem naar buiten te laten gaan. Hij was nu al te lang in dit asiel en niemand wilde hem. Wauwser moest beslist een huis met een tuin, waar hij in en uit kon lopen. Kwam dat even goed uit. Die had ik toch! Mijn broer had ook al een kattenluik gemaakt in de deur naar de tuin.

Eenmaal thuis ging Wauwser direct naar buiten en bleef een tijdje weg. Ik begon me zorgen te maken. Straks weet hij niet meer waar hij woont, dacht ik. Dat bleek onterecht. Na een paar uurtjes kwam hij terug. Hij probeerde zich door het kattenkluik te wurmen, wat bijna niet lukte. Want hij had een grote duif in zijn bek, die niet in de breedte door het luik paste. Met moeite propte hij de dode vogel naar binnen en legde die neer voor mijn voeten. Een cadeau, omdat ik hem zo gastvrij ontvangen had. 😉

We zochten een naam voor de gecastreerde kater, want Wauwser vond ik drie keer niks. Het werd Adelante, omdat dit in het Spaans betekent. ‘Kom maar naar voren/ kom maar binnen.’ Ik wist toen nog niet dat ik ooit een Spaanse man zou trouwen. Ik sprak geen woord Spaans, maar had dit woordje uit het volgende liedje, dat in die tijd een hit was:

Ik luisterde indertijd liedjes via een walkman. Had geen sjoege van de video. Vond het gewoon mooi klinken.

Adelante was ook bijzonder op een heel eigen manier. ‘King of the hood’.

Hij ontpopte zich als een kat die wel aangehaald wilde worden, maar nooit op schoot kwam. Wel kwam hij geregeld naast me zitten op de bank. Hij had echter niet zoveel interesse in mijn oudste dochter, die juist een kat zocht voor haarzelf om te knuffelen. Daarom gingen we nog een kat halen in het asiel. Zie volgende artikel.

Thomas, mijn eerste kat

Het was een oranje kater die mij trouwe vergezelde naar school en me ook weer stond op te wachten als ik uit school kwam. Ik had hem op straat gevonden op de vliegbasis Deelen, waar we toen woonden in een omgebouwde soldatenbarak.

klein-heidekamp 10

Klein Heidekamp 10, Deelen

Ik wilde de kat graag houden, maar dat mocht alleen als ik eerst alle omwonenden langsging met de kat en ging vragen of hij niet van iemand anders was. Ik wist al lang dat het een zwerfkat was. Alle kinderen waren bang van het dier, maar ik nam hem toch in mijn armen en deed wat me gevraagd was door mijn stiefvader. Niemand eiste het dier op en toen mocht ik hem houden. Maar eerst moest ik van mijn stiefvader zand gaan scheppen voor een kattenbak. Het vroor die dag. Dus het was een hels karwei voor een kind van 7 jaar om voldoende zand te scheppen voor een kattenbak. Maar het lukte me en die nacht mocht de kat ook bij me slapen in een poppenbed. Thomas bleef die nacht niet in zijn poppenbed liggen, maar kwam gezellig naast me in bed spinnen. Wat een heerlijke ervaring was dat.

Helaas duurde dit niet lang, want de volgende nacht mocht hij niet meer bij me slapen, omdat dit niet hygiënisch zou zijn. Ik bleef wel voor Thomas zorgen en bestudeerde de hele dag zijn gedrag. Wat was ik geboeid door zijn sierlijke lijf, hoe hij zich bewoog en hoe hij zich waste, Ik kon alles met hem doen. Ik kon hem als een bontje om mijn nek hangen en dan bleef hij ook hangen. Dat had ik gelezen in het boek Thomasina van Paul Gallico. Daar werd een oranje poes in beschreven die ook als een bontje om de nek van haar baasje bleef hangen. Maar dat bleek een vrouwtje te zijn en daarom werd zij Thomasina genoemd.

Mijn kat was wel een kater en nog niet gecastreerd. ’s Nachts moest hij in de keuken blijven, waar hij via de deur die op een kattenketting stond in en uit kon. Regelmatig ving hij ’s nachts vogeltjes, waarvan de restjes in de keuken verspreid lagen. Die moest ik uiteraard opruimen. ‘Het is jouw kat’. Soms moest Thomas overgeven, haarballen. Uiteraard waren die ook voor mij om op te ruimen. Ik vond het niet erg. Ik was gek op Thomas. Ik speelde veel met hem. Soms legde ik hem in mijn poppenwagen en dan bleef hij gewoon liggen en kon ik met hem wandelen. Als ik hem maar melk liet drinken uit de poppenmelkfles. Dat vond hij heerlijk. Soms trok ik hem een groen wollen vestje aan, wat hij ook prima vond. Het stond prachtig bij zijn oranje vacht.

Op een goed moment moesten we weer verhuizen. We zouden naar de vliegbasis Rheindahlen in Duitsland verhuizen en dan kon Thomas niet mee, want die zou dan eerst in quarantaine moeten. Voordat we gingen verhuizen gingen we een maand met vakantie en Thomas werd alvast weggebracht. Naar een boer, 30 kilometer verderop. Hij zou het daar goed hebben, verzekerden mijn ouders me. Maar ik was ontroostbaar. De hele vakantie kon ik alleen maar aan Thomas denken.

Toen we terugkwamen van vakantie zat tot onze verrassing Thomas voor de deur. Ik werd gek van blijdschap. Van de de militairen uit de officiersmess die tegenover onze barak was gelegen hoorden we dat Thomas al een paar dagen na ons vertrek was teruggekeerd en elke dag rond ons huis had rondgescharreld. Hij kreeg eten van de koks van de officiersmess.

officiersmess

officiersmess

Gelukkig mocht ik Thomas alsnog meenemen naar Duitsland. We hebben hem meegesmokkeld onder de bank van de auto. In Duitsland was mijn school op loopafstand en daar kreeg Thomas de gewoonte om met me mee te lopen naar school en terug.. Ik bleef gek op hem en kon mijn ogen niet van hem afhouden. Zag hoe hij vriendschap kreeg met een klein siamees katje van de buren. Hij leerde het katje jagen en trok veel met het beestje op. Het katje had de rare gewoonte om uit het raam te springen van de eerste verdieping. Als een zweefvliegtuigje vloog hij dan naar beneden en kwam op zijn pootjes terecht. Tot het een keer mis ging en hij niet goed terecht kwam. Hij was toen dood. En Thomas heeft nog weken om hem getreurd.

Overal in de omgeving werden oranje katjes geboren. Jonkies van raskatten en de mensen waren niet blij met de rode bastaardjes. Daarom werd Thomas gecastreerd. Sindsdien was het een veel minder leuke kat, die meer sliep en minder ondernemend was. Thomas is uiteindelijk overleden in Eindhoven. Hij had een leverafwijking en droogde op helemaal uit. Ik heb nooit meer zo een kat gehad als hij.

ons huis in Eindhoven

ons huis in Eindhoven

Eindelijk een behoorlijk grafje voor Imran

Al eerder maakte ik iets moois van zijn grafje. In het eerste jaar had ik zijn hele grafje bedekt met prachtige bloeiende dahlia’s. Om onduidelijke redenen waren die na verloop van tijd weggehaald. Daarna bedekte ik het heuveltje van zijn graf met grote witte kiezels, wat ook heel mooi was, omdat je al van verre zijn grafje zag schitteren. Ook deze kiezels werden verwijderd.

Na 10 jaar werd zijn grafje verplaatst naar een andere locatie, omdat dat de locatie was voor graven die telkens verlengd konden worden. Omdat het op naam stond van mijn ex, wist ik lange tijd niet precies welk nummer zijn grafje had. Ik heb toen jarenlang staan bidden bij het grafje van een ander kindje (nr. 147).

Pas nu is het graf op mijn naam gezet en opnieuw verlengd en nu weet ik dat het nummer van zijn graf 83 is.

DSC02929

Ahmad en ik hebben een mooie ‘grafsteen’ bedacht voor hem. Het idee is van mij, maar het is volledig uitgevoerd door Ahmad, die een tijd lang als hobby pyrografie had en daarvoor nog het gereedschap had. We hebben een dikke weersbestendige plank gekocht van hard hout en die heeft Ahmad bewerkt met een mooi ontwerp van twee hoppen (vogelsoort). Daarna heeft hij het afgelakt met een weerbestendige beits. De plank is vastgeschroeft aan twee bakstenen die hij heeft ingegraven in de grond van het grafje aan het hoofdeinde.

DSC02928

Adil was zo lief om ons naar de Kovelswade in Utrecht te rijden, de begraafplaats waar de stoffelijke restjes van Imran zich bevinden. Het viel me direct op dat de begraafplaats een stuk minder goed onderhouden wordt dan een tijd geleden. Zowel op het islamitisch gedeelte als op in de rest van de begraafplaats waren de graven en hun omgeving overwoekerd door onkruid. De kindergrafjes die eerst op zijn minst te herkennen waren door een ijzeren prikker aan het hoofdeinde met het grafnummer erop hadden nu grotendeels geen nummer meer. We moesten dus gaan aftellen vanaf grafje nummer 80 om te bepalen waar ongeveer grafje 83 moest liggen. Waren de grafjes vroeger van elkaar onderscheiden, omdat ze elk een klein heuveltje vormden, nu was dat niet meer zo. Alle grafjes op een rij vormden één langgerekte reep zand.

DSC02932

Noëlle vond het moeilijk lang stil te zitten in de auto en ook in het tuincentrum (waar ik beplanting voor op het graf kocht) wilde ze liever lopen dan in de buggy. Op het kerkhof zag ze bij de kindergrafjes veel speelgoed en knuffels die haar aandacht trokken. Het was niet gemakkelijk voor Kim en Adil om met Noëlle op te trekken en haar rustig en tevreden te houden. Daarom waardeer ik het enorm dat ze het mij en Ahmad gegund hebben om daar Utrecht te rijden voor dit voor ons noodzakelijke karwei.

Waarom ik niet?

Laatst lag er weer zo een envelop in mijn deurmat. Mijn dochter raapte hem op. ‘Je moet weer, mam.’ Zij dacht dat het ging om het periodieke onderzoek naar borstkanker, dat vrouwen desgewenst kunnen ondergaan. Maar het was wat anders. Het bleek de uitslag te zijn van een onderzoek naar eventuele symptomen van darmkanker dat ook periodiek bij mensen wordt afgenomen die daaraan willen deelnemen. Ik had de test een week of twee ervoor gedaan. Je moet dan met een staafje wat ontlasting wegnemen uit een zojuist verrichte grote boodschap. De test lag al een paar dagen in de weg op mijn gangkastje, compleet met een uitgebreide instructie en verpakt in veel plastic. Hij nam daar veel plaats in beslag en ik wilde hem zo snel mogelijk weghebben uit mijn huis. Ik ging dus naar de WC met het staafje in aanslag, maar het lukte me niet om te poepen. Daarom besloot ik het staafje in te brengen in mijn poepgaatje en op die manier wat ontlasting te verzamelen. Ik wilde het ding zo snel mogelijk mijn huis uit hebben. Zo gezegd zo gedaan. De envelop was snel gepost. Daarna vergat ik de test.

Tot deze brief ineens op mijn deurmat lag…..Er was bloed gevonden in mijn ontlasting en daarom werd ik opgeroepen voor verder onderzoek. Een onderzoek waarbij ik al bij het lezen ervan de creeps kreeg. Men zou met een vingerdikke slang mijn anus binnengaan en dan met een camera mijn hele binnenkant verkennen. Eventuele poliepen en kankergezwellen zouden dan direct ook worden weggenomen. Er zat wel een risico aan het onderzoek. Ik zou kunnen blijven zitten met een darmperforatie en dat zou betekenen dat ontlasting in de bloedbaan terechtkwam en dan was een onmiddellijke operatie noodzakelijk. O Lord, no!!!!!

Het onderzoek zou vandaag plaatsvinden in de Amalia Kliniek in een een mij onbekende laan. Waarom niet gewoon in een ziekenhuis, dacht ik direct wantrouwig. Zouden die mensen echt het belang van een lang leven voor mij op het oog hebben of ging het hier om harde euro’s?

Ik vertrouwde de test, zoals ik die bij mezelf had afgenomen, niet. Het kon best zijn dat ik met het staafje een adertje had geraakt en dat dit het bloed in de kruimel ontlasting die ik verzond had veroorzaakt. Ik belde dan ook de volgende dag naar het kantoor van het bevolkingsonderzoek met de vraag om een nieuwe test. Legde uit waarom.

Maar…….zo een test wordt niet tweemaal verstrekt als de uitslag eenmaal bekend is. Ik zou voor een tweede test naar mijn huisarts moeten gaan.

Dat deed ik. De volgende dag kon ik het formulier en een potje ophalen bij de assistente. Thuisgekomen kon ik het direct vullen met een nieuwe kruimel van mijn uitwerpselen en ik bracht het enthousiast terug. ‘Nee, mevrouw, wij doen deze test hier niet. U moet de ontlasting naar de afdeling bloedafname brengen in het ziekenhuis.’ Karamba! Dezelfde dag nog moest ik dat gaan doen.

De dagen erop zat ik een beetje in spanning. Hoe zou de uitslag zijn van deze tweede test? Ik hield alles voor mogelijk en dacht daarbij: ‘Mijn leven is nu fantastisch. Ik geniet met volle teugen. Wat ik nu gehad heb, neemt niemand me af, maar aan alles kan een einde komen. En waarom niet voor mij.’ Ik had er al een beetje vrede mee en overdacht in mezelf alvast wat ik zou doen als mij opties werden voorgelegd als wegsnijden, chemo, enz.

Dinsdag zou de uitslag bekend zijn en kon ik mijn huisarts bellen. Enigszins met het hart in de keel belde ik. De uitslag was er nog niet. De volgende dag belde ik weer, nu iets minder zenuwachtig. Ik was immers voorbereid op het ergste. Weet dat ik gewoon mazzel heb dat ik tot mijn huidige leeftijd ben gekomen zonder grote mankementen.

De uitslag was negatief. Geen bloed gevonden dit keer in mijn ontlasting! Opgelucht belde ik de mensen van het bevolkingsonderzoek om mijn afspraak voor het vervolgonderzoek af te zeggen.

Het is net of ik opnieuw een kans heb gekregen voor een nog wat langer leven…….Het lichaam is zo fragiel…..

Wat heb ik er nou van geleerd

Ik ben opgegroeid met ouders uit een zogeheten ‘beter milieu’. Mijn moeder was de dochter van de directeur van Philips Indië en zij was opgegroeid met bedienden. Mijn stiefvader was officier bij de luchtmacht en bracht het tot generaal. Van kleins af aan heb ik me afgezet tegen snobisme. Ik hield veel meer van kinderen uit armere gezinnen. Ik vond hun ouders veel hartelijker en liever en ik vond het gezellig om in hun huizen te komen.

Toen ik na een aantal vriendjes bleef hangen aan mijn eerste man, waren mijn ouders niet blij en dat kan ik wel begrijpen. Hij was niet alleen Pathan (kwam uit het grensgebied van Afghanistan en Pakistan), maar hij was ook analfabeet. Ikzelf was net afgestudeerd als psycholoog toen ik de relatie met hem begon. Hij werkte als sorteerder in een Joodse kledingfabriek in Amsterdam.

Het moet een klap zijn geweest voor mijn moeder, dat ik uitgerekend met deze man ging trouwen. Zij weigerde dan ook om op de bruiloft te komen. (Er was overigens verder ook niemand aanwezig, buiten twee getuigen. Dat waren twee collega’s van mijn ex.)

Ik heb voor mijn toenmalige echtgenoot een baan weten te regelen als leerling schilder en uiteindelijk ontwikkelde hij zich tot een volleerd en goed betaald schilder. Hij heeft me altijd voorgelogen over zijn salaris. Ik kreeg van hem 60 gulden per week boodschappengeld en de rest hield hijzelf. Van die 60 piek pikte hij ook nog geld om hasj te kopen uit mijn portemonnee. Ik heb geld nooit belangrijk gevonden en ik ben ook nooit rijk geweest. Ik heb nooit carrière kunnen maken in mijn vak, omdat ik kostbare jonge jaren verloren heb laten gaan.

Toch ben ik uiteindelijk gelukkig geworden. Ik had eerder bij hem weg kunnen gaan en dan was me veel leed bespaard gebleven. Maar dan had ik ook mijn vier lieve kinderen niet gehad. Mijn zwakte is medelijden en ik zal deze zwakte altijd houden. Nu is dat niet meer erg, omdat ik nu een man heb die daar nooit misbruik van zou maken. Integendeel. Hij geeft mij de liefde die ik nooit in mijn leven heb gekend, buiten die van mijn broer. En nu krijg ik ook heel veel liefde van mijn kinderen.

Misschien was ik te slap en had ik eerder moeten doorpakken. Maar ik geloof in ‘eind goed, al goed’. En ‘what comes around goes around’.

Als je de hele story wil lezen van begin tot eind, kan je gewoon terugscrollen in dit weblog. Ik heb mijn verhaal verteld vanaf het einde naar het begin.

Dat krijg je als het weer buiten wat minder is. Dan heb je daar ineens tijd voor 😉